The Healthiest Start: Municipal Health Service (GGD) Advice on the Indoor Climate in Childcare

Gezond binnenmilieu voor kinderopvang: Adviezen voor ver- en nieuwbouw

Het advies van de GGD Den Haag, opgesteld in augustus 2010, benadrukt het cruciale belang van een gezonde leefomgeving voor jonge kinderen, wier orgaansystemen nog in ontwikkeling zijn. Ongunstige omstandigheden in de kinderopvang kunnen leiden tot het ontstaan of verergeren van luchtwegklachten. De brochure biedt uitgebreide adviezen voor nieuwbouw en renovatie van kinderopvangfaciliteiten om een zo gezond mogelijk binnenklimaat te creëren. De belangrijkste thema's zijn ventilatie, omgevingsfactoren, thermisch comfort en vochtbeheersing.

Deel 1: De basis van een gezond binnenklimaat

1. Ventileren en luchten: Continue luchtverversing is essentieel

De GGD maakt een duidelijk onderscheid tussen ventileren en luchten. Ventileren is het continu, 24 uur per dag verwijderen van verontreinigende stoffen en het aanvoeren van schone lucht. Ventileren (of purgeren) is het snel verversen van alle lucht door alle ramen en deuren minimaal vijf tot vijftien minuten wijd open te zetten, wat minimaal twee keer per dag nodig is.

De cruciale rol van CO2-monitoring

Deze aanbeveling wijkt aanzienlijk af van de wettelijke minimumeisen (destijds het Bouwbesluit) voor een gezond klimaat:

De wettelijke eis was gebaseerd op een ventilatiecapaciteit per vierkante meter vloeroppervlak (1,3 l/sec/m²).

De GGD adviseert daarentegen een ventilatiebehoefte per persoon: minimaal 54 m³ per persoon per uur voor een goede luchtkwaliteit en meer dan 90 m³ per persoon per uur voor een zeer goede luchtkwaliteit.

De GGD benadrukt dat de luchtkwaliteit moet worden gemonitord met een CO2-meter. Dit is de maatstaf om aan te tonen of er voldoende wordt geventileerd. De richtwaarden voor CO2 zijn:

Een CO2-gehalte onder de 800 ppm duidt op een goede luchtkwaliteit.

Een gehalte onder de 650 ppm duidt op een zeer goede luchtkwaliteit.

Bij concentraties boven de 1000 ppm is verhoogde ventilatie noodzakelijk.

Deze waarden illustreren de noodzaak van continue en nauwkeurige monitoring. De Room You 1-sensor is een perfect hulpmiddel om CO2-niveaus direct en visueel weer te geven.

Eisen voor ventilatiesystemen

De GGD stelt de volgende eisen aan ventilatiesystemen:

Het systeem moet minimaal twee keer zo ruim zijn als het wettelijk minimum.

De luchttoevoer moet van buiten komen, niet vanuit een andere binnenruimte.

De ventilatie moet per ruimte regelbaar en eenvoudig te bedienen zijn.

Nachtventilatie is cruciaal om ophoping van schadelijke stoffen (zoals oplosmiddelen uit bouw- en afbouwmaterialen) te voorkomen, omdat deze stoffen er lang over doen om weg te ventileren.

Dwarsventilatie (via meerdere gevels) wordt aanbevolen om de luchtstroomsnelheid voor een bepaald luchtvolume te verlagen, wat tochtklachten vermindert.

2. Omgeving en vervuiling

De luchtkwaliteit binnen wordt sterk beïnvloed door de buitenomgeving.

Verkeer: Idealiter bevindt het kinderdagverblijf zich op meer dan 300 meter afstand van een drukke weg. Indien dit niet haalbaar is, zijn een luchtdichte, geluiddichte gevel en een mechanisch ventilatiesysteem met de inlaat aan de achterzijde van het gebouw vereist, waarbij extra filtratie moet worden overwogen.

Vloerbedekking: Gladde, geurarme vloerafwerkingen (linoleum, laminaat, hout of steen) hebben de voorkeur. Textielvloeren zijn een bron van schadelijke stoffen (vuil en weekmakers), die het risico op ademhalingsproblemen kunnen verhogen.

Deel 2: Comfort, onderhoud en risicomanagement

3. Tocht en koude neerwaartse luchtstromen

Hoewel tocht op zichzelf meer onaangenaam dan gevaarlijk is (ziekte wordt veroorzaakt door ziektekiemen, die door ventilatie juist worden verwijderd), kan langdurige lokale afkoeling tot klachten leiden.

Tocht wordt veroorzaakt door te snelle of te koude luchtstromen.

Koude neerwaartse luchtstromen zijn koele luchtstromen langs een koude ruit.

Stralingsasymmetrie is de afkoeling van de huid door een gebrek aan warmtestraling aan de zijkant van een koude ruit.

Om dit te voorkomen adviseert de GGD:

Ramen moeten traploos en fijn regelbaar zijn.

Openingen voor natuurlijke ventilatie moeten zo dicht mogelijk bij het plafond zitten om de afstand tot de woonverdieping te minimaliseren.

Dubbel glas en vloerverwarming (of betonkernactivering) helpen koudeval en stralingsasymmetrie te voorkomen.

Bij mechanische ventilatie moet een gelijkmatige luchtstroom (bijvoorbeeld via een verlaagd plafond als plenum) worden bereikt om tocht te voorkomen.

4. Warmtehuishouding

Oververhitting is een veelvoorkomend probleem, met temperaturen die oplopen tot 30 °C.

Externe zonwering is essentieel: een goede zonwering (buiten het glas) of een flinke overstek zijn noodzakelijk aan de zuid-, oost- en westgevel. Screens moeten worden geïnstalleerd met een opening van minimaal 7 cm en een lichte kleur hebben.

Nachtventilatie is cruciaal voor de koeling van het gebouw. Hiervoor moet het alarmsysteem worden geactiveerd.

Het systeem moet worden afgesteld om onnodige alarmen te voorkomen.

Bij mechanische ventilatie met warmteterugwinning (WTW) moet een bypass aanwezig zijn om in warmere periodes koele buitenlucht aan te voeren in plaats van voorverwarmde lucht.

De luchtinlaat van de WTW moet zich aan de noordzijde (koele zijde) van het gebouw bevinden. Luchtinlaat vanaf een plat dak moet worden vermeden, omdat het dak in de zomer extreem heet kan worden, waardoor de WTW zeer warme lucht naar binnen blaast.

In elke ruimte moeten thermometers aanwezig zijn om de temperatuur te bewaken.

5. Onderhoud en kwaliteitsborging van mechanische ventilatie

Gebrek aan onderhoud kan de capaciteit van mechanische ventilatie snel verminderen (gemiddeld 10% per jaar).

Aanvoerfilters moeten regelmatig worden gereinigd of vervangen (maandelijks, soms wekelijks).

De aanvoerkanalen zelf mogen geen stoffen afgeven (geen plastic) en moeten bij installatie worden ontvet.

De capaciteit van de ventilator tijdens normaal gebruik moet haalbaar zijn in de middelste stand. Dit betekent dat een grotere maat moet worden gekozen dan de minimale maat, zodat de ventilator niet op volle snelheid hoeft te draaien, wat geluidsoverlast voorkomt.

Geluidsoverlast moet beperkt blijven tot maximaal 35 dB(A) in groepsruimtes en maximaal 30 dB(A) in slaapruimtes.

Na installatie en elke onderhoudsbeurt moet een kalibratierapport van een gecertificeerde instantie worden opgevraagd om te verifiëren of het systeem goed functioneert en gekalibreerd is.

Conclusie: De rol van CO2-monitoring in een gezond binnenklimaat

Het advies van de GGD maakt duidelijk dat het wettelijk minimum onvoldoende is voor een gezonde kinderopvang. De kern van een gezond binnenklimaat ligt in voldoende en continue ventilatie, gecombineerd met actieve monitoring. De CO2-meter is in dit verband het meest essentiële instrument voor dagelijks beheer en kwaliteitsborging, waarbij een waarde van 800 ppm of lager de maatstaf is voor een goede luchtkwaliteit. De functionaliteiten van de RoomYou1, waaronder nauwkeurige CO2-meting en draagbaarheid (elektrische voeding), zijn direct relevant om te voldoen aan deze strenge GGD-aanbevelingen voor de kinderopvang.

Referentie

GGD Den Haag. (2010, augustus). Gezond binnenmilieu voor kinderopvang: Adviezen voor ver- en nieuwbouw. GGD Den Haag.

Terug naar blog